Dimphy’s rules

/Dimphy’s rules

Dimphy’s rules

Dimphy Van Halteren is hondengedragsbegeleider in Nederland en schreef een heel eigentijds artikel over de Kooikerhondjes.

Uiteraard is dit artikel niet enkel van toepassing op Kooikerhondjes maar is het geschikt voor elk hondenras. Wel wordt in dit artikel aan enkele specifieke karaktertrekken van Kooikerhondjes extra aandacht besteed.

Een prima onderbouwd artikel die elke toekomstige of huidige bezitter van een Kooikerhondje zou moeten gelezen hebben.

Het Nederlandse Kooikerhondje.

U ontvangt dit document omdat u zich aan het oriënteren bent voor een hond. En wellicht wordt dit het Nederlandse kooikerhondje.

In dit document leest u meer over dit ras, de rasstandaard en de opvoeding die bij dit hondje komt kijken. Een kooikerhondje is nou eenmaal geen labrador of een chihuahua en u wilt natuurlijk wel een for ever home zijn voor uw nieuwe gezinslid. Daarom is het prettig als u weet waar u aan begint.

Opvoeding en training

BAAS
Voor pup, puber en volwassen kooikerhondje moet de rangorde duidelijk zijn: de baas is de baas, dus de roedelleider. Dit hoeft niet maar 1 persoon te zijn, dit kunnen alle menselijke gezinsleden zijn. Alleen onder die voorwaarde zal de hond zich veilig voelen en vertrouwen hebben in jou/jullie als begeleider.

Het kooikerhondje is een intelligent en gevoelig hondje. Een harde hand zal dan ook vaak averechts werken in de opvoeding. Echter is consequent zijn des te belangrijker!!

Als roedelleider ben jij/zijn jullie degene die de grenzen aangeven en je/jullie hondje door het leven begeleidt, zorgt voor zijn/haar veiligheid. Het is dus belangrijk om dit op een rustige, maar zeer duidelijke manier te doen.

Doe je dit niet, gaat een kooikerhondje zelf zijn grenzen bepalen en neemt als het ware de leiding steeds een beetje meer over. Wanneer dit gebeurt ontstaat er vaak probleemgedrag. Het consequent zijn moet ook zijn/haar hele leven bij jullie. Doe je dit niet, kan ook op latere leeftijd alsnog probleemgedrag ontstaan.

Een voorbeeld van corrigeren op een kalme, maar zeer duidelijke manier; de hond vertoont ongewenst gedrag, ipv tegen hem te gaan schreeuwen en hem boos naar zijn plaats te sturen, pak je hem/haar rustig bij zijn/haar halsband en begeleidt hem naar een andere ruimte (bv de hal of bijkeuken), sluit de deur en laat hem/haar daar even alleen. Dit doe je zonder communicatie (niet praten, niet aankijken).

Je laat de hond daar zitten tot hij/zij rustig en stil is. Soms is 10 seconde al genoeg. Het gaat erom dat hij even gescheiden wordt van de roedel.

Wanneer de hond rustig is laat je hem/haar zonder communicatie weer terug in de kamer en gaat weer verder waar je mee bezig was.

KINDEREN

Zoals al eerder aangegeven zijn kooikerhondjes hele gevoelige hondjes. Dit betekent o.a. dat ze vaak niet van veel drukte houden. Houd in uw overweging dus ook rekening met de samenstelling van uw gezin. Zijn uw kinderen al oud genoeg om ze uit te leggen wat ze wel

en niet mogen/kunnen doen bij een hond? Bent u in staat om, ondanks de drukte van uw kinderen, de hond toch rust en ruimte te bieden? Bent u in staat om een hond en kinderen tegelijkertijd op te voeden? U kunt hem/haar niet even een dag of 2 aan zijn/haar lot over laten. Hij/zij heeft de duidelijkheid en structuur namelijk elke dag nodig. Niet af en toe even een paar uurtjes. Bedenk dus vooraf goed hoe u dit gaat doen en of het haalbaar is. Laat sowieso uw hondje NOOIT alleen met uw kinderen, maar dat geldt voor alle hondenrassen.

SOCIALISATIE

De sociale aanpassing begint al met drie weken in het nest; de periode van zes tot zestien weken is de belangrijkste voor de sociale ontwikkeling van de hond. Het is ook de periode waarin hij het snelst iets leert (inprentingsfase). Voor het eenkennige kooikerhondje is een goede socialisatie van levensbelang. Een hond die zich veilig voelt en zelfvertrouwen heeft, is een hond die je kunt vertrouwen. Daarom moeten fokker en de nieuwe eigenaar gezamenlijk werken om het hondje te laten wennen aan de menselijke samenleving met vele facetten.
Zorg voor plezierige contacten met kinderen, volwassenen, honden en andere dieren. Laat hem wennen aan huis-, tuin- en keuken-, straat- en andere geluiden. Betrek de pup bij begroeting van gasten, haal kinderen en bevriende honden in huis of neem de pup mee naar plaatsen waar die te vinden zijn. Maar houdt wel overal rust en duidelijkheid in acht!!

Ga de pup niet troosten als hij /zij angstig is (aahhhh wat ben je zielig) of vluchtgedrag vertoont, maar laat als roedelleider zien dat er niets aan de hand is. Negeer je hond op zo’n moment ook zeker niet, maar steun hem. Als hij/zij zich veilig(er) voelt in een bepaalde situatie door bij jou te zitten, geef hem/haar die steun dan. Dit versterkt ook weer zijn/haar vertrouwen in jou als roedelleider. Jij bent rustig, dus het zal wel ok zijn.  

Anders dan bij mensenkinderen heeft de pup slechts 1 tot 2 jaar nodig om volwassen te worden en in dat jaar zijn fokker en eigenaar samen verantwoordelijk voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de hond. Alle goede geïnvesteerde tijd, moeite en energie komen later met rente terug.

TRAINING

Hoewel er nog steeds kooikerhondjes in de eendenkooi hun werk verrichten, zullen de meeste hondjes daar niet aan toe komen. In vorm van spel, cursussen op gebied van gedrag, gehoorzaamheid en behendigheid, speuren en zoeken zal ‘plaatsvervangend’ werk gezocht moeten worden. Samenwerken met de baas is zijn lust en leven.

Vanaf ongeveer 9 weken kunt u op puppy-cursus samen aan de slag. Zorg ook dat u de lichaamstaal van uw hond leert kennen. U kunt dan het beste uit uw samenwerking halen en weet hoe uw hond zich voelt in bepaalde situaties. Hierdoor leert uw hond weer dat hij/zij op u kan vertrouwen in lastige situaties.

Het gezamenlijke einddoel is een vriendelijke, gehoorzame hond die overal met het gezin mee naar toe kan, omdat hij goed opgevoed is. Overigens kan de hond, als dat eens nodig is, ook heel goed alleen thuis blijven.

Een goede opvoeding zorgt ervoor dat u jaren (sommige kooikerhondjes worden wel 16 jaar en ouder) plezier van uw hond kunt hebben.

Geschreven door: Dimphy van Halteren, hondengedragsbegeleider

9 augustus 2017 te Sint Michielsgestel, Nederland

De rasstandaard

Vertaling: Lydia Erhart. Bewerkt door Renée Sporre-Willes / Originele versie : (EN).

Land van oorsprong: Nederland.
Publicatiedatum van de officieel geldende standaard: 13.10.2010.
Gebruik: Werkende hond en gezelschapshond gebruikt voor de eendenkooi.
FCI-classificatie: Groep 8 Retrievers – Spaniels – Waterhonden.
Sectie 2 Spaniels. Zonder werkproef.

KORT HISTORISCH OVERZICHT

In 1942, gedurende de Tweede Wereldoorlog, is mevrouw Baronesse Van Hardenbroek van Ammerstol begonnen met de terugfok van het Kooikerhondje. Ze stuurde een marskramer op pad met een foto van het type hondje dat zij zocht. Op een boerderij in Friesland ontdekte deze het hondje Tommy dat de stammoeder van het hedendaagse Kooikerhondje werd. In 1966 keurde de Raad van Beheer de voorlopige rasstandaard goed en in 1971 werd het ras officieel erkend.

Het Kooikerhondje werd oorspronkelijk en wordt nu nog in de eendenkooi gebruikt. Zijn taak is nog steeds de eenden met zijn vrolijk wuivende staart in de kooi te lokken; hij jaagt niet op de eenden. Hij loopt kalm tussen de schermen van de kooi door zodat hij de nieuwsgierigheid van de eenden opwekt en hen steeds verder de vangpijp in lokt, waar de eenden in een vanghok gevangen worden. Ze worden of gedood voor consumptie of geringd voor ornithologisch onderzoek.

ALGEMEEN VOORKOMEN

Het kooikerhondje is een harmonisch gebouwd, oranje-rood bont jachthondje van vrijwel kwadratische lichaamsverhoudingen. Hij gaat met opgeheven hoofd; in actie wordt de goed bevederde staart wuivend in het verlengde van of boven de ruglijn gedragen. De oren hebben zwarte haarpunten, de “oorbellen”. De hond wordt met een natuurlijke, niet getoiletteerde vacht voorgebracht.

BELANGRIJKE VERHOUDINGEN

De lengte van het lichaam, gemeten van het boeggewricht tot het zitbeen, kan iets meer zijn dan de schofthoogte. Schedel en voorsnuit zijn ongeveer even lang.

GEDRAG EN KARAKTER

Levendig en beweeglijk, zelfbewust en met voldoende doorzettings- en uithoudingsvermogen, goedaardig en attent, maar niet luidruchtig. Het ras is trouw, makkelijk in de omgang en vriendelijk.
Buiten het jachtseizoen moet het hondje schadelijk wild kunnen vinden en verdelgen; daarom moet hij fel, snel en hard zijn. Hij is een echt jachthondje dat attent en energiek is en werklust en een opgewekt karakter heeft.

HOOFD

Het hoofd is matig lang, passend in het totaalbeeld, droog en vloeiend belijnd.
Schedelgedeelte
Schedel: voldoende breed, matig gewelfd.
Stop: van opzij gezien duidelijk zichtbaar maar niet te diep.

VOORSNUITGEDEELTE

Neus: zwart en goed ontwikkeld.
Voorsnuit: van opzij gezien niet te diep en licht wigvormig; van boven gezien niet te smal toelopend en goed opgevuld onder de ogen.
Lippen: bij voorkeur goed gepigmenteerd, goed aansluitend en niet overhangend.
Kaken / gebit: schaargebit; compleet is gewenst. Tanggebit is toegestaan maar minder gewenst.
Ogen: amandelvormig, donkerbruin met een vriendelijke, attente uitdrukking.
Oren: matig groot, aanzetting iets boven de lijn van de punt van de neus tot de ooghoek. De oren worden vlak, zonder vouw tegen de wangen gedragen. Goed bevederd; zwarte haarpunten (de oorbellen) zijn zeer gewenst.

HALS

Krachtig gespierd, voldoende lang en droog.

LICHAAM

Bovenbelijning: vloeiende lijn van de schoft tot de staart.
Rug: krachtig en recht, vrij kort.
Lendenen: van voldoende lengte en breedte, krachtig gespierd.
Bekken: licht hellend en voldoende breed; de lengte van het bekken is 1,5 maal de breedte.
Borst: reikt tot aan de ellebogen met voldoende gewelfde ribben. Voldoende ontwikkelde voorborst.
Onderbelijning en buik: licht oplopend naar de lendenpartij.

STAART

Bij de aanzet de bovenbelijning van het lichaam volgend, in het verlengde van de bovenbelijning gedragen of bijna verticaal omhoog (vrolijk). Goed bevederd met een witte pluim. De laatste staartwervel moet tot het spronggewricht reiken.

LEDEMATEN

Voorhand
Schouder: schouder voldoende schuin zodat een vloeiende overgang van hals    naar rug wordt verkregen.
Opperarm: goed gehoekt ten opzichte van het schouderblad dat van gelijke lengte is.
Elleboog: goed aansluitend tegen het lichaam.
Onderbeen: recht en parallel, stevig bot van voldoende sterkte en lengte.
Middenvoet: sterk en iets schuin.
Voorvoeten: klein, licht ovaal, compact met goed aangesloten tenen die naar voren wijzen.

Achterhand
Algemeen voorkomen: goed gehoekt, van achteren gezien recht en parallel. Stevig bot.
Dijbeen: goed gespierd.
Onderbeen: van gelijke lengte als het dijbeen.
Spronggewricht: laaggeplaatst.
Achtervoeten: als voorvoeten.

GANGWERK / BEWEGING

Moet vloeiend en elastisch zijn, goed uitgrijpend, stuwend. Ledematen parallel.

VACHT

Beharing
Middelmatig lang, lichtgolvend of sluik en glad aanliggend. Zacht haar. Goed ontwikkelde ondervacht. Voorbenen moeten matige bevedering hebben die reikt tot het polsgewricht. Achterbenen hebben een vrij langbehaarde broek; onder het spronggewricht geen bevedering. De beharing op het hoofd, de voorkant van de benen en voeten dient kort te zijn. Voldoende bevedering aan de onderzijde van de staart. Langer haar op de keel en voorborst. Oorbellen (lange zwarte haarpunten) zijn zeer gewenst.

Kleur
Duidelijke platen van oranje-rode kleur op zuiver wit, hoewel enkele kleine vlekjes op de benen toegestaan zijn. De oranje-rode kleur moet overwegen. Iets zwart doorschoten zijn van de oranje-rode kleur en een lichte vorm van ticking zijn toegestaan maar minder gewenst.
Aftekening op het hoofd: een duidelijk zichtbare bles die tot aan de neus doorloopt. Gekleurde wangen en gekleurd rond de ogen. Een te smalle of te brede bles of maar gedeeltelijk gekleurde wangen zijn minder gewenst.
Een zwarte staartring bij de overgang van oranje-rood naar wit is toegestaan.

MAAT
Ideale schofthoogte: Reuen: 40 cm          Teven: 38 cm
Marge: 2 cm boven of 3 cm onder de ideale maten zijn toegestaan.

FOUTEN

Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout beschouwd worden en de ernst waarmee de fout moet worden beoordeeld moet in gelijke verhouding staan tot de mate en de functionele gezondheid en het welzijn van de hond en tot zijn vermogen om zijn oorspronkelijke werk uit te oefenen.

Te kleine oren.
Open gedragen oren.
Krulstaart.
Steppend gangwerk.

Krullend of zijdezacht haar.
Kleur die sterk met zwarte haren doorschoten is in de oranje-rode platen..
Teveel ticking.
Boven de maximum maat of onder de minimum maat.

ERNSTIGE FOUTEN

Angstig gedrag.
Duidelijk laag op de benen, buiten de verhouding.
Blauw (glas)oog.
Boven- of ondervoorbeet.
Te korte staart die niet tot het spronggewricht reikt.
Een geheel of gedeeltelijk wit oor.
Haarkleur rond één of beide ogen wit.

DISKWALIFICERENDE FOUTEN

Agressief of overmatig verlegen.
Iedere hond die duidelijk fysieke of gedragsafwijkingen vertoont dient gediskwalificeerd te worden.
Zwart-witte kleur of driekleur.
N.B.: Reuen moeten twee ogenschijnlijk normale testikels hebben die volledig in het scrotum zijn ingedaald.

By |2017-12-06T10:09:05+00:0020 augustus 2017|Algemeen|